banner7.jpg

Hoe werkt het?

 

1. De basis

Het eendenkuikenproject is een zogenaamd ‘citizen science project’, een project voor burgerwetenschappers in goed Nederlands. Dat houdt in dat het project zo is opgezet dat vrijwilligers op grote schaal eraan kunnen meedoen. Het grote voordeel daarvan is dat het project gebruik kan maken van de duizenden ogen van vrijwilligers verspreid over het hele land, maar het betekent ook dat het project laagdrempelig moet zijn. Daarom wordt voor het eendenkuikenproject alleen maar gevraagd om waarnemingen met de volgende gegevens:

  • Datum
  • Locatie
  • Soort
  • Aantal kuikens
  • Leeftijd kuikens

Het project richt zich in principe op de Wilde Eend, maar ook Soepeend en Krakeend worden al jaren meegenomen. In de toekomst zullen andere soorten aan het project worden toegevoegd. Het lastigste is om de leeftijd van de kuikens in te schatten, maar hiervoor worden waarnemers geholpen met voorbeeldplaatjes van kuikens van verschillende leeftijden. Hierover later meer.

Voor de berekening van de kuikenoverleving wordt gebruik gemaakt van series van waarnemingen van hetzelfde gezin (dezelfde toom) binnen het broedseizoen. We noemen dit ‘vervolgwaarnemingen’. Dit maakt het project iets lastiger, omdat hiervoor dus de gezinnen gevolgd moeten worden. Dat is niet altijd eenvoudig, omdat eenden met kuikens zich kunnen verplaatsen. Toch blijkt in de praktijk dat het vaak mogelijk is om met tussenpozen van enkele dagen of zelfs weken eendengezinnen terug te vinden, waarbij het met een vrij grote zekerheid gaat om hetzelfde gezin. Een aantal aspecten kan hierbij helpen, namelijk:

  • het uiterlijk van het vrouwtje (niet zelden zijn Wilde Eenden individueel herkenbaar)
  • de locatie (meestal blijven gezinnen binnen een straal van enkele honderden meters)
  • het aantal kuikens (het kunnen er in principe niet meer worden)
  • de leeftijd van de kuikens (ze kunnen niet jonger worden)

Bij de vervolgwaarneming worden precies dezelfde gegevens doorgegeven als bij de eerste waarneming, met aanvulling de melding dat het een vervolgwaarneming betreft (gekoppeld aan de voorgaande waarneming). Dit geeft twee essentiële details: het aantal dagen tussen de waarnemingen en het verschil in het aantal kuikens. Dit vormt de basis voor de berekening van de dagelijkse overlevingskans van de kuikens, waarmee uiteindelijk de kuikenoverleving als geheel wordt uitgerekend.

 

2. Een fictief voorbeeld

De berekening van de kuikenoverleving is het makkelijkst uit de leggen aan de hand van een (fictief) voorbeeld. In dit fictieve voorbeeld gebruiken we een hele kleine dataset van vier gezinnen die bruikbaar zijn voor de berekeningen. De gegevens zijn samengevat in tabel 1.

 

Tabel 1. Fictief voorbeeld van waarnemingen binnen het eendenkuikenproject.

Gezin ID

Datum

Locatie

Soort

Aantal kuikens

Leeftijd kuikens

Gezin_1

15-04-2022

Amsterdam

Wilde Eend

10

A

Gezin_1

20-04-2022

Amsterdam

Wilde Eend

2

B

Gezin_2

19-04-2022

Den Haag

Soepeend

12

A

Gezin_2

23-04-2022

Den Haag

Soepeend

8

A

Gezin_3

02-05-2022

Amersfoort

Wilde Eend

8

A

Gezin_3

06-05-2022

Amersfoort

Wilde Eend

4

B

Gezin_3

14-05-2022

Amersfoort

Wilde Eend

2

C

Gezin_4

09-05-2022

Groningen

Wilde Eend

9

A

Gezin_4

15-05-2022

Groningen

Wilde Eend

5

B

Gezin_5

12-05-2022

Utrecht

Wilde Eend

2

D

 

3. Leeftijd kuikens

In het fictieve voorbeeld (tabel 1) is de leeftijd van de kuikens weergegeven in categorieën. Waarnemers worden namelijk gevraagd de leeftijd van de kuikens in te schatten in categorieën van weken door te geven, naar voorbeeld van geschetste plaatjes van verschillende leeftijden van eendenkuikens die in gevangenschap zijn uitgebroed (figuur 1).

Figuur 1. Voorbeeldplaatjes van kuikenleeftijden (bron: Cordonnier & Fournier 1983).

 

De voorbeeldplaatjes uit figuur 1 laten de leeftijd van eendenkuikens zien in categorieën A t/m H. In de praktijk komt het erop neer dat elke categorie een leeftijdsklasse van een week representeert, dus A is 0-1 week, B is 1-2 weken, enzovoorts. Voor de berekeningen wordt dit omgezet naar een benadering van de leeftijd in dagen (A is 3 dagen, B is 10 dagen, enzovoorts). In het geval dat in het opmerkingenveld bij een waarneming de leeftijd nader is toegelicht, wordt deze leeftijd overgenomen (bijvoorbeeld als erbij staat dat de kuikens op de dag van de waarneming het nest hebben verlaten). Als er bij de waarneming een foto wordt geüpload, wordt de leeftijd soms op basis hiervan nog aangepast.

 

4. Benaderen van kuikenoverleving

Op basis van alle kuikenwaarnemingen op een hoop (dus niet alleen series van waarnemingen, maar ook ‘losse’ waarnemingen) zijn twee voor de hand liggende benaderingen mogelijk om een indicatie te krijgen voor kuikenoverleving. Je kunt namelijk eenvoudig bepalen wat het aantal waarnemingen per leeftijdsklasse is, of het gemiddelde aantal kuikens per leeftijdsklasse uitrekenen (tabel 2). Hieruit komt in beide gevallen een duidelijk beeld naar voren: het aantal kuikens neemt snel af in de vroege kuikenfase.

 

Tabel 2. Samenvatting van kuikengegevens per leeftijdsklasse op basis van fictief voorbeeld.

Leeftijdscategorie

Aantal waarnemingen

Gemiddeld aantal kuikens

A. 0-1 week

5

9.4

B. 1-2 weken

2

3.7

C. 2-3 weken

1

2

D. 3-4 weken

1

2

E. 4-5 weken

0

n.v.t.

 

Figuur 2. Grafieken van het aantal kuikenwaarnemingen per leeftijdsklasse (links) en het gemiddelde aantal kuikens in een gezin per leeftijdsklasse (rechts) op basis van het fictieve voorbeeld uit tabel 1.

 

Aan deze beide benaderingen kleeft echter een groot nadeel. De bepaling van het aantal waarnemingen per leeftijdsklasse zorgt voor een onderschatting van de werkelijke kuikenoverleving. Natuurlijk is het zo dat als alle kuikens van een gezin dood zijn, deze niet meer gemeld wordt, en daarom het aantal waarnemingen in oudere leeftijdsklassen lager is. Echter, er is ook sprake van een ‘observer bias’, namelijk dat waarnemers sneller geneigd zijn om jonge kuikens te melden dan oudere kuikens. Er zijn dus minder waarnemingen van kuikens in oudere leeftijdsklassen dan je op basis van hun aanwezigheid zou verwachten. De benadering op basis van het gemiddelde aantal kuikens per leeftijdsklasse daarentegen werkt juist overschatting van de werkelijke kuikenoverleving in de hand. Misschien wel het grootste methodologische probleem van het eendenkuikenproject is namelijk dat 0-waarnemingen niet worden gemeld. Met andere woorden: vrouwtjes zonder kuikens (die al hun kuikens kwijt zijn) worden niet als gezin gemeld. Door deze nullen niet mee te nemen in de berekening van het gemiddelde aantal kuikens, komt het gemiddelde (veel) te hoog uit. Als je op basis daarvan de overlevingskansen zou uitrekenen, zou je deze dus overschatten.

Het probleem van het ontbreken van 0-waarnemingen is met de huidige dataset niet (of lastig) op te lossen, maar er is wel een methode om de werkelijke kuikenoverleving nauwkeuriger te benaderen. Dit wordt gedaan aan de hand van series van waarnemingen van hetzelfde gezin, dus met de zogenaamde vervolgwaarnemingen.

 

5. Vervolgwaarnemingen

Uit de losse waarnemingen worden de waarnemingen gefilterd van gezinnen die meer dan één keer zijn gemeld. Uit het fictieve voorbeeld in tabel 1 heeft alleen gezin 5 maar één waarneming, dus deze wordt in de berekening van de kuikenoverleving buiten beschouwing gelaten. De vervolgwaarnemingen worden verwerkt tot een dataset met paren van opeenvolgende waarnemingen van hetzelfde gezin (tabel 3). Hiermee wordt uitgerekend hoeveel tijd er zat tussen de opeenvolgende waarnemingen en hoeveel kuikens er in die periode verdwenen zijn (figuur 3).

 

Tabel 3. Samenvatting van vervolgwaarnemingen.

Gezin ID

Leeftijd kuikens start

Leeftijd kuikens eind

Dagen tussen waarnemingen

Aantal kuikens start

Aantal kuikens eind

Verschil in aantal kuikens

Gezin_1

3

8

5

10

2

8

Gezin_2

1

5

4

12

8

4

Gezin_3

3

7

4

8

4

4

Gezin_3

7

15

8

4

2

2

Gezin_4

3

9

6

9

5

4

 

Figuur 3. Samenvatting van de vervolgwaarnemingen met links de afname van het aantal kuikens uitgezet tegen het aantal dagen tussen de opeenvolgende waarnemingen, en rechts de afname van het aantal kuikens uitgezet tegen de leeftijd van de kuikens.

 

6. Dagelijkse overlevingskans

De meest accurate bepaling van kuikenoverleving krijg je door het volgen van gezinnen vanaf het moment dat de kuikens uit het ei komen en het moment dat de kuikens of wel vliegvlug, ofwel allemaal dood zijn. Helaas is dat praktisch onmogelijk, zeker binnen een citizen science project. Wat we wel hebben, zijn als het ware ‘snapshots’ van een X aantal dagen uit de kuikenfase van een (idealiter groot) aantal eendengezinnen. Deze snapshots op basis van opeenvolgende waarnemingen van hetzelfde eendengezin laten zien hoeveel kuikens er verdwenen binnen een bepaald aantal dagen. Hiermee kunnen we de dagelijkse overlevingskans van de kuikens berekenen. De dagelijkse overlevingskans is de kans dat een kuiken een dag later nog in leven is. Binnen het broedbiologisch onderzoek bij vogels is er al veel ervaring met de berekening van dagelijkse overlevingskansen, vooral als het gaat om nestoverleving. Een veelgebruikte methode daarbij is de Mayfield methode. Het elegante aan deze methode is dat hij rekenkundig vrij eenvoudig en recht-toe-rechtaan is. Binnen het eendenkuikenproject passen we de principes van de Mayfield-methode toe op kuikens in plaats van nesten.

 

7. Mayfield-methode beknopt uitgelegd

De Mayfield-methode voor berekening van nestsucces is ontwikkeld, omdat het uitrekenen van simpelweg het percentage nesten dat succesvol uitkomt (de “klassieke methode”) een overschatting geeft van het werkelijke nestsucces. Dit komt omdat je de nesten normaal gesproken niet volgt vanaf het moment dat de eieren gelegd zijn, dus dat je vroeg nestverlies mist. Dit lijkt dus veel op het probleem met het berekenen van de kuikenoverleving. In plaats van een percentage uitgekomen nesten berekent de Mayfield-methode de dagelijkse overlevingskans.

In een goed leesbaar Nederlandstalig artikel in Limosa legt Albert Beintema uit laagdrempelig hoe de Mayfield-methode werkt (Beintema 1992). Ik vat het hier beknopt samen. De methode gaat uit van nesten die worden gevolgd, met andere woorden nesten die minstens twee keer zijn bezocht. Elke dag dat een nest gevolgd wordt is een ‘nestdag’. De nestdagen van alle nesten kun je bij elkaar optellen, dus als je 10 nesten gedurende 10 dagen volgt, kom je uit op 100 nestdagen. Als na 10 dagen twee nesten verloren blijken, dan neem je aan dat deze halverwege de periode verloren zijn gegaan (“mid-point assumption”), dus na vijf dagen. De dag waarop een nest verloren is gegaan, telt niet mee, dus van de vijf dagen zijn er vier overleefd. Je komt dan dus uit op 8*10 + 2*4 = 88 nestdagen.

Om de dagelijkse overlevingskans uit te rekenen, deel je het aantal nestdagen door het aantal nestdagen plus het aantal verloren gegane nesten. In bovenstaand voorbeeld zou de dagelijkse overlevingskans dus 88 / 90 = 97.8% zijn. Om van de dagelijkse overlevingskans te komen tot de overleving van de totale nestperiode, verhef je de dagelijkse overlevingskans tot de macht gelijk aan het aantal dagen dag een legsel moet liggen om uit te komen. Bij de Wilde Eend duurt die periode ongeveer 28 dagen plus een extra dag voor elk ei dat is gelegd (dus 38 dagen als er 10 eieren zijn gelegd). Het nestsucces volgens Mayfield is in dat geval 0.97838 = 0.429, dus 42,9%.

 

Tabel 4. Bepaling van het aantal overleefde kuikendagen.

Gezin ID

Dagen tussen waarnemingen (duur interval)

“mid-point” leeftijd

Aantal kuikens start

Aantal kuikens eind

Aantal verdwenen kuikens

Overleefde kuikendagen

Gezin_1

5

5.5

10

2

8

22

Gezin_2

4

3

12

8

4

36

Gezin_3

4

5

8

4

4

20

Gezin_3

8

11

4

2

2

22

Gezin_4

6

6

9

5

4

38

 

8. Kuikenoverleving volgens Mayfield

In het eendenkuikenproject passen we de principes van de Mayfield-methode toe op de kuikens. We doen voor de berekening net alsof de kuikens nesten zijn. Eigenlijk is dat niet correct, omdat de overleving van kuikens binnen een gezin niet onafhankelijk is. We berekenen daarom per vervolgwaarneming het totaal aantal (overleefde) kuikendagen binnen een gezin en het aantal verloren gegane kuikens (tabel 4), net als wanneer je nestsucces voor een gebied met meerdere nesten zou uitrekenen.

Voor het aantal kuikendagen tussen twee opeenvolgende waarnemingen van een eendengezin tellen we het aantal dagen tussen de waarnemingen en vermenigvuldigen we dat met het aantal kuikens dat de periode heeft overleefd. Daarbij tellen we op het aantal kuikendagen van de kuikens die het niet overleefd hebben, wederom uitgaande van de “mid-point assumption” dat de kuikens halverwege het interval zijn doodgegaan. Voor gezin_1 uit tabel 1 geldt dat er vijf dagen tussen de waarnemingen zat en dat 2 van de 10 kuikens die periode overleefd hebben. Het aantal kuikendagen voor de overleefde kuikens is dus 2 * 5 = 10 dagen. Voor de acht niet overleefde kuikens gaan we ervanuit dat ze nog 2.5 – 1 = 1.5 dagen overleefd hebben. Voor deze kuikens komen we dus uit op 8 * 1.5 = 12 dagen. Samen komen we voor dit gezin uit op 10 + 12 = 22 kuikendagen en acht verloren gegane kuikens. Als we de dagelijkse overlevingskans van kuikens uit dit gezin zouden uitrekenen, is de berekening 22 / (22+8) = 0.733 = 73.3%.

We kunnen controleren of deze berekening in de buurt komt van de werkelijkheid (de waarneming) door uit te rekenen hoeveel kuikens we na vijf dagen zouden overhouden als we beginnen met 10 kuikens en een dagelijkse overlevingskans aanhouden van 73.3%. De berekening is 10 * 0.733^5 = 2.1 kuikens. Dit komt goed in de buurt van onze twee waargenomen kuikens. Figuur 4 geeft weer hoe het verloop van het aantal kuikens van gezin_1 in theorie kan zijn geweest.

 

Figuur 4. Verloop van het aantal kuikens van gezin_1 uit het fictieve voorbeeld in tabel 1 op basis van de berekende dagelijkse overlevingskans.

 

9. Kuikenoverleving in een Generalized Linear Model

Misschien wel het grootste verschil tussen nestoverleving en kuikenoverleving is dat de overleving van kuikens afhankelijk is van de leeftijd van de kuikens. In het geval van nesten zal het weinig uitmaken of een predator op dag 1 of op dag 20 langskomt; de eieren hebben ongeveer net zoveel kans om opgegeten te worden. Voor kuikens is dat een ander verhaal: ze worden steeds groter en minder naïef, waardoor de kans om opgegeten te worden (of onderkoeld te raken, te verdwalen, etc.) kleiner wordt naarmate ze ouder worden. Waar voor nesten wordt verondersteld dat de dagelijkse overlevingskans constant is, neemt deze voor kuikens toe met de leeftijd (zie ook figuur 3). We moeten dus de dagelijkse overlevingskans kunnen berekenen per leeftijd (per dag) van de kuikens. Hiervoor gebruiken we een logistische regressie (een specifiek type Generalized Linear Model, afgekort glm) met leeftijd als verklarende variabele.

 

De syntax (code) in het statistiekprogramma R voor deze logistische regressie ziet er als volgt uit:

model <- glm(cbind(successes, failures) ~ kuikenleeftijd, family = binomial(link="logit"))

 

Hierbij zijn de “successes” het aantal overleefde kuikendagen per interval en “failures” het aantal niet-overleefde kuikendagen per interval, ofwel het aantal kuikens dat het niet heeft overleefd. Voor de kuikenleeftijd moet je een keuze maken, omdat de intervallen tussen de opeenvolgende waarnemingen van eendengezinnen een uiteenlopende duur hebben. Je zou de begin- of eindleeftijd kunnen nemen van elk interval, maar ook hierbij lijkt de “mid-point assumption” de beste keuze. We nemen dus aan dat de geschatte dagelijkse overleving het beste past bij kuikens van de gemiddelde leeftijd van het interval.

 

Figuur 5. De gemodelleerde dagelijkse overlevingskans per leeftijd van de gezinnen uit het fictieve voorbeeld op basis van de logistische regressie. De zwarte lijn geeft de overlevingskans weer uitgaande van de gemiddelde leeftijd per interval (“mid-point assumption”). De rode en blauwe stippellijn geeft de dagelijkse overlevingskans weer als voor leeftijd respectievelijke de start- en eindleeftijd van een interval worden genomen.

 

10. Van dagelijkse overlevingskans naar kuikenoverleving

Net als de Mayfield-methode geeft de logistische regressie een schatting van de dagelijkse overlevingskans. Deze is bij de Mayfield-methode constant, dus hierbij kun je de overleving van een periode van X dagen berekenen door de dagelijkse overlevingskans te verheffen tot de macht X. Bij kuikens loopt de dagelijkse overlevingskans op naarmate ze ouder worden. Hiervoor zou je dus de dagelijkse overlevingskansen voor de gehele kuikenperiode met elkaar moeten vermenigvuldigen om de overlevingskans van de gehele kuikenperiode (tot vliegvlug) te krijgen.

Het fictieve voorbeeld blijkt per toeval van een kleine zeer onfortuinlijke populatie: de kuikensterfte is wel erg hoog en de dagelijkse overlevingskansen dus laag. Het product van de gemodelleerde dagelijkse overlevingskansen in de eerste acht weken (ongeveer de periode voordat eendenkuikens kunnen vliegen) levert een kuikenoverleving van een magere 1.7% op. Daarbij moet gezegd worden dat in het voorbeeld geen intervallen zaten bij een hogere kuikenleeftijd. De modelvoorspellingen zijn voor hogere leeftijden dus onzekerder. In werkelijkheid ligt de dagelijkse overlevingskans van eendenkuikens dicht bij de 1 (100%) vanaf een leeftijd van ongeveer drie weken.

In figuur 5 staan ook de gemodelleerde overlevingskansen weergegeven wanner in de logistische regressie de leeftijd aan de start of het einde van ieder interval wordt genomen als kuikenleeftijd. Wanneer de startleeftijd wordt gebruikt, wordt de dagelijkse overleving binnen een interval geprojecteerd op een lagere leeftijd, dus dit leidt tot hogere inschatting van de overlevingskansen. Andersom leidt het tot een lagere inschatting van de kuikenoverleving als de overlevingskansen worden gekoppeld aan de maximale leeftijd in het interval. Ter illustratie: in het fictieve voorbeeld hebben kuikens bij een “mid-point assumption” van leeftijd in het interval een kans van 33.1% om een week oud te worden. Als de startleeftijd per interval wordt genomen, komen de berekeningen uit op een kans van 36.6% en als de eindleeftijd per interval wordt genomen op 29.7%. De werkelijkheid (van dit fictieve voorbeeld) zal waarschijnlijk ergens tussen deze schattingen liggen.

 

11. Uitbreiding van statistisch model

Het werken met regressiemodellen geeft een grote flexibiliteit als het gaat om uitbreiding en verbetering van de schattingen (indien er voldoende gegevens zijn!). In het fictieve voorbeeld zitten met opzet twee problemen die met uitbreiding van het regressiemodel zijn op te lossen (nogmaals, indien er voldoende gegevens zijn, minstens enkele honderden waarnemingen). We bespreken deze problemen hier dus slechts ter illustratie.

  • Pseudoreplicatie: het regressiemodel gaat ervanuit dat de waarnemingen onafhankelijk van elkaar zijn. Dat zou je kunnen aannemen als je van elk gevolgd gezin één vervolgwaarneming (interval) hebt in de dataset. In dit voorbeeld zie je echter dat van gezin_3 twee vervolgwaarnemingen zijn gedaan, dus twee intervallen zijn. Deze waarnemingen zijn dus niet onafhankelijk en daarvoor zou je idealiter willen corrigeren. Je kunt dit doen door de ID van het gezin aan het model toe te voegen als ‘random factor’. Je krijgt dan een Generalized Linear Mixed-effects Model (glmm).
  • Verschil tussen soorten: in het eendenkuikenproject worden waarnemingen verzameld van Wilde Eenden, Soepeenden en Krakeenden. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat de hypothese is dat deze ‘soorten’ (Soepeend is niet echt een soort, maar we noemen het voor het gemak toch even zo) verschillen in kuikenoverleving. In het fictieve voorbeeld zien we dat gezin_2 een Soepeend betreft en deze zou je mogelijk niet op één hoop willen gooien met de waarnemingen van Wilde Eenden. In de analyses zou je “soort” als cofactor kunnen meenemen in het regressiemodel (apart of in interactie met leeftijd).

Tot slot zou je op dezelfde manier het regressiemodel kunnen uitbreiden met andere factoren waarin je geïnteresseerd bent. Zo zou je kunnen testen of er een effect is van (of verschillen tussen) gebieden, habitattypen, jaren, etc. Een aandachtspunt is dat hiermee de dataset steeds verder wordt ‘opgeknipt’ en daarmee neemt de statistische zeggingskracht af. Dergelijke verdiepende analyses zijn dus alleen zinvol bij een grote dataset en een goede steekproef uit alle groepen waartussen je onderscheid wilt maken.

 

12. Disclaimer

De hier beschreven methode voor het berekenen van de kuikenoverleving is een grove, recht-toe-rechtaan methode en ongetwijfeld niet de beste of meest verfijnde. Ik nodig de kritische lezer graag uit om verbeteringen van deze methode of ideeën voor alternatieve methodes aan te dragen.

Daarnaast geldt dat de statistische methodiek nooit beter wordt dan de kwaliteit van de basisgegevens uit het veld. Het eendenkuikenproject heeft vanwege zijn opzet voor de hand liggende tekortkomingen, waarvan het hierboven genoemde ontbreken van 0-waarnemingen er slechts één is. Daar staat tegenover dat dankzij de opzet als citizen science project inmiddels duizenden waarnemingen beschikbaar zijn voor analyses, wat de robuustheid van de schattingen ten goede komt. Deze schattingen van kuikenoverleving zijn de eerste en nog steeds enige die beschikbaar zijn voor Nederlandse populaties van Wilde Eend, Soepeend en Krakeend. Er zijn concrete plannen om dit project in de toekomst uit te breiden naar een bredere set (water)vogels met kuikens die snel het nest verlaten (nestvlieders). Houd hiervoor het eendenkuikenproject en de KuikenTeller app in de gaten.

 

 

 

Wilde Eenden kunnen in het broedseizoen een handje geholpen worden door (relatief) veilige nestgelegenheid aan te bieden in de vorm van broedkorven. De traditionele uit wilgentenen gevlochten eendenkorven zijn alom bekend, maar relatief duur in de aanschaf. Wilde Eenden zijn niet erg kritisch en er bestaan goede alternatieven. In het buitenland wordt veel gebruik gemaakt van zogenaamde hooirollen. Deze zijn per stuk relatief goedkoop en ook nog eens leuk om zelf te maken. Sinds 2016 gebruik ik zelf hooirollen en ik ben er zeer tevreden over. In het eerste broedseizoen werd er meteen al gebruik van gemaakt en in onze ca. 1,5 ha grote tuin waren het afgelopen jaar 5 rollen bezet. Op deze pagina staat beschreven hoe ik de hooirollen maak. Dit is één manier om het te doen en er zijn ongetwijfeld andere en betere methoden. Schroom dus niet om af te wijken van deze handleiding en mail me gerust met vragen of ervaringen. Veel succes!

 

Materiaal

  • Hooi - uit één hooibaal kunnen gemakkelijk vijf of meer hooirollen gemaakt worden. Veel (extensieve) boeren laten hun hooi in pakjes persen. Deze zijn te kooi voor 2 tot 5 euro.
  • Kippengaas (1 m hoog) - per hooirol is een stuk van 85 cm gaas nodig voor de binnenste gaasrol. Ik gebruik graag geplastificeerd gaas om scherpe randjes te voorkomen.
  • Tuingaas (1 m hoog) - per hooirol is een stuk van 120 cm gaas nodig voor de buitenste gaasrol. Tuingaas is steviger dan kippengaas en zorg dat de rol zijn ronde vorm behoudt.
  • Zijsnijtang - een tang om het gaas te knippen.
  • Houten of metalen paal (2,5 - 3 m) - de hooirol wordt op een paal in het water gezet. De lengte van de paal hangt af van hoe stevig de bodem/grond is.
  • Slegger - om de paal in de grond te slaan.
  • Houten plank - een plank van ca. 15 cm breed, 100 cm lang en 2 cm dik, waarop de hooirol komt te liggen.
  • Schroeven - met een lange schroef wordt de plank op de paal bevestigd.
  • Accuboor - om de schroeven in de plank en paal te draaien.
  • Krammen - per hooirol zijn vier krammen nodig om de hooirol op de plank te bevestigen.
  • Hamer - om de krammen in de plank te slaan.
  • Kabelbinders of ijzerdraad - om de hooirol aan de krammen te bevestigen.

 

Stappenplan

  1. Knip met de zijsnijtang een stuk van 85 cm van de rol kippengaas.
  2. Buig het kippengaas tot een rol door de uiteinden met elkaar te verbinden. Draai daarvoor de uiteinden van het gaas om elkaar heen. Pas hierbij op dat u zich niet snijdt aan het gaas.
  3. Knip met de zijsnijtang een stuk van 120 cm van de rol tuingaas.
  4. Bevestig de rol kippengaas aan een van de uiteindeen van het stuk tuingaas.
  5. Leg het stuk tuingaas plat op een tafel of op de grond (als op foto 1).
  6. Bedek het tuingaas met hooi. Zorg voor een dichte laag van enkele cm dik, maar niet dikker. Zorg dat het hooi aan de uiteinden iets uitsteekt (foto 1).
  7. Rol de rol kippengaas voorzichtig over de rol tuingaas, zodat het hooi tussen de rollen klem komt te zitten.
  8. Bevestig het uiteinde van het tuingaas aan de rol door de uiteinden om te buigen (foto 2).
  9. Controleer of de binnenste rol niet vervormd is en vul waar nodig het hooi aan zodat er geen gaten in de rol zitten. Zorg dat er geen scherpe punten gaas aan de binnenkant van de rol zitten waar de eend of de kuikens zich aan kunnen verwonden.
  10. Neem de plank en sla de krammen in de zijkanten (2 voor en 2 achter). Metalen schroefoogjes werken ook.
  11. Zet de paal op een geschikte plek in het water. Zorg dat de paal ongeveer een meter boven het water uitsteekt.
  12. Bevestig met een schroef de plank bovenop de paal. Als u een lange schroef gebruikt, kan een enkele schroef voldoende zijn. Voordeel is dat de plank dan kan ronddraaien, wat handig kan zijn bij de bevestiging van de hooirol vanaf de oever (foto 3).
  13. Leg de hooirol op de plank en bevestig deze met kabelbinders of stukjes ijzerdraad aan de krammen (foto 3).
  14. Stop een paar losse handjes hooi in de rol. De eend zal dit gebruiken voor haar nest.

 

Foto 1. Het vullen van de rol met hooi.

 

Foto 2. Bevestiging van de buitenrol (tuingaas).

 

Foto 3. Bevestiging van de hooirol op de plank.

 

Foto 4. Het mooiste is als de hooirollen in januari/februari klaar zijn, want dan kunnen de eenden eraan wennen. Houd er wel rekening mee dat een vroege voorjaarsstorm de rol kan beschadigen.

 

Al twee dagen na het plaatsen van de hooirol werd deze geïnspecteerd door een paartje Wilde Eenden! 

 

Het resultaat in het eerste jaar (zie ook hier):

 

Bezoek de nieuwe KuikenTeller webpagina en download daar de app!

Recent lijkt er toenemende aandacht te zijn voor de Soepeend, mede in relatie tot de afname van de Wilde Eend. Daarbij wordt ook duidelijk dat er veel misverstanden bestaan over Soepeenden en dat we eigenlijk niet veel weten over de ecologie van de Soepeend. Op deze informatie verschaf ik wat basisinformatie over de Soepeend. Neem voor meer informatie gerust direct contact met mij op.

 

Wat is een Soepeend?

De Soepeend is een gedomesticeerde vorm van de Wilde Eend, of nakomelingen daarvan.

 

Waar komt de naam Soepeend vandaan?

De naam Soepeend suggereert dat deze eenden, die al duizenden jaren wordt gehouden en gefokt voor het vlees, voorheen werden gebruikt om soep van te maken. Hoewel dit ongetwijfeld veel gebeurde, is dit waarschijnlijk niet de oorsprong van de Nederlandse naam. Het samenraapsel zijn van allerlei kweekvormen en kleurschakeringen werd door vogelaars ook wel omschreven als een 'soep'. Vandaar dat de naam Soepeend tegenwoordig is ingeburgerd als verzamelnaam voor afstammelingen van gedomesticeerde eenden.

 

Hoe herken ik een Soepeend?

Soepeenden kunnen heel veel lijken op het oorspronkelijke wildtype van de Wilde Eend. In de meest extreme gevallen zijn ze echter helemaal wit met een oranje snavel. Alle tussenvormen, zelfs als ze maar een heel klein beetje afwijken van de Wilde Eend, worden als Soepeend beschouwd. Bij vrouwtjes betekent dit dat het verenkleed net iets lichter of donkerder bruin kan zijn, of witte vlekken heeft. Bij het mannetje onbreekt vaak het smalle witte halsringetje of is deze juist extra dik. Ook is de borst vaak grijs in plaats van bruin, of de flank bruin in plaats van grijs. Het belangrijkste criterium is dat het kleed afwijkt van de wildkleur.

 

Hoe komen Soepeenden in de natuur terecht?

Gedomesticeerde vormen van de Wilde Eend werden (en worden) meestal buiten gehouden. Ze liepen dan ook vaak vrij rond op boerenerven, waar ook Wilde Eenden leven. Zo vond ter plekke al kruising plaats, maar sommige eenden ontsnapten ook in de vrije natuur. Daarnaast worden in diverse Europese landen jaarlijks grote aantallen gefokte eenden losgelaten ten behoeve van de jacht. Soepeenden komen dus onbewust én bewust in de natuur terecht. Een groot deel van die vogels zal het niet lang overleven in de vrije natuur, maar zodra de vogels overleven tot in het broedseizoen vindt er vermenging plaats met de wilde populatie.

 

Hoeveel Soepeenden leven in de vrije natuur?

Aangezien het aantal getelde Soepeenden erg afhankelijk is van de definitie die de teller gebruikt om een eend als Soepeend aan te merken, is het werkelijke aantal Soepeenden in Nederland nog vrij onzeker. In de nieuwe Vogelatlas van Sovon staat dat de broedpopulatie van de Soepeend wordt geschat op 10 000 - 30 000 paartjes (dit zijn paartjes met minimaal één Soepeend) met een winterpopulatie van 40 000 - 70 000 exemplaren. Steekproeven van eendenpopulaties op diverse plekken in Nederland lieten recent zien dat omgeveer 20-25% van de 'wilde eenden' in feite Soepeend is. Als dat zo is in heel Nederland, dan zou dat betekenen dat de genoemde aantallen in werkelijkheid een stuk hoger liggen.

 

Vormt de Soepeend een bedreiding voor de Wilde Eend?

De Nederlandse broedpopulatie van de Wilde Eend is sinds de jaren '90 met ongeveer 30% afgenomen. Wat daar precies aan ten grondslag ligt is onbekend. Een van de theorieën is dat de overleving lager is door vermenging van de populatie met Soepeenden. Hoe zou dit kunnen werken? Voor een effect op de poulatie Wilde Eenden zo je verwachten dat ofwel de reproductie van Soepeenden lager is, ofwel de overleving van adulte vogels lager is. De Wilde Eend heeft zich al milennia lang door middel van natuurlijke selectie aangepast aan het leven in de natuur, waaronder het ontsnappen aan predatoren en efficiënt kunnen foerageren. Door te kweken met eenden gaan sommige kenmerken verloren, die in de natuur belangrijk zijn. Zo hebben veel kuikens van Soepeenden een deels geel (dons)verenkleed, waardoor ze waarschijnlijk meer opvallen voor roofdieren. Ook is aangetoond dat Soepeenden een andere snavelvorm hebben gekregen, omdat ze door het voer dat ze kregen geen gespecialiseerde snavelvorm meer hoefden te hebben. Als eenden met deze snavelvorm in de natuur terecht komen, heeft dat waarschijlijk effect op de efficiëntie van foerageren. Deze effecten zijn echter nog niet goed onderzocht en moeten daarom voorlopig als speculatief worden beschouwd. Meer onderzoek kan hier in de toekomst meer licht op werpen.

 

Waar kan ik meer lezen over de Soepeend?

https://www.sovon.nl/nl/actueel/nieuws/soepeenden-en-wilde-eenden-de-verschillen

https://www.sovon.nl/nl/publicaties/zo-tel-je-soepeenden-en-wilde-eenden

https://www.ravon.nl/Portals/2/Bestanden/Publicaties/Nieuwsbrieven/KijkOpExoten/Exoten2018007004.pdf

https://www.nporadio1.nl/vroege-vogels/onderwerpen/481958-soepeend-vs-wilde-eend

 

 

 

 

Heb je een Wilde Eend met kuikens gezien? Daar willen we meer over weten! Voer de kuikens in op KuikenTeller.org. Waarom? Dat lees je op deze pagina.

 

Laatste nieuws: verslag eendenkuikenproject 2023.

 

Gestage afname

Veel mensen merken op dat ze steeds minder Wilde Eenden zien. Ook Sovon, de organisatie die de ontwikkeling van vogels in Nederland bijhoudt, constateert dat de Wilde Eend de laatste decennia gestaag afneemt in Nederland. Sinds de jaren '90 is meer dan 30% van de broedpopulatie verdwenen. Wat daar precies de oorzaak van is, is niet duidelijk. Onderzoek heeft aangetoond dat het onwaarschijnlijk is dat het met de jachtdruk te maken heeft (Van den Bremer et al. 2015). Ook lijken Wilde Eenden niet minder eieren te leggen dan normaal. Een plausibele theorie is dat de kuikenoverleving zo laag is, dat er niet voldoende eendenkuikens groot worden om de natuurlijke sterfte te compenseren (Schekkerman et al. 2016). Destijds wisten we echter vrijwel niets over de overleving van eendenkuikens in Nederland. Daarom hebben we in 2016 het eendenkuikenproject gestart, waarbij we het brede publiek vragen om antwoord te vinden op de vraag: hoeveel eendenkuikens overleven de eerste twee maanden van hun leven?

 

Een vroeg eendengezin op 6 januari 2018 in Utrecht (foto Jan van der Winden).

 

Eendenkuikenproject: hoe werkt het?

Het idee voor dit zogenaamde 'citizen science' project is simpel: we willen graag het aantal en de leeftijd van de eendenkuikens per eendengezin weten. Door per leeftijdsklasse te weten uit hoeveel kuikens een gezin bestaat, kunnen we uitrekenen in welke fase de grootste sterfte plaatsvindt en hoeveel eendenkuikens uiteindelijk vliegvlug worden. Als we bovendien deze informatie krijgen uit verschillende landschappen, zoals laagveenpolder, zandgronden of stedelijk gebied, kunnen we ook vergelijken of de kuikenoverleving en de broedselgrootte tussen die landschapstypen verschilt. Met die kennis kunnen we vervolgens onderzoeken of lage kuikenoverleving een belangrijke rol speelt bij de achteruitgang van de Wilde Eend.

 

Voer ook je waarnemingen in via KuikenTeller.org!

 

Geef uw waarneming door via een van de volgende knoppen:

          This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

 

Vermeld in ieder geval de volgende informatie:

  • datum
  • locatie (zo nauwkeurig mogelijk, liefst met GPS coördinaten)
  • aantal eendenkuikens
  • leeftijd van de eendenkuikens (zie hieronder*)
  • eventueel met een foto

 

Waarnemingen van eendenkuikens in 2017.

 

Kuikenleeftijd schatten 

Het schatten van de leeftijd van eendenkuikens kan lastig zijn, maar is wel cruciaal voor onze analyse. Het zou ons daarom erg helpen als u een foto van de eendenkuikens meestuurt met uw melding. Aan de hand van het onderstaande voorbeeld kunt u een inschatting maken van de leeftijd van de eendenkuikens (bron: Cordonnier & Fournier 1983):

 

 

 

 

Vrouwtje Wilde Eend met piepjonge kuikens op 10 april 2017 in Wageningen (foto: Erik Kleyheeg).

 

Berekening kuikenovereleving

De kuikenoverleving wordt berekend op basis van eendengezinnen die minstens twee keer gemeld zijn. Op deze pagina wordt precies uitgelegd hoe dat werkt.

 

Resultaten

Bekijk hier het verslag van het eendenkuikenproject in 2023.

Bekijk hier het wetenschappelijk artikel op basis van het eendenkuikenproject in 2022.

Bekijk hier een artikel met de resultaten van het Jaar van de Wilde Eend 2020 op de website van Vogelbescherming.

Bekijk hier het rapport met de resultaten van het eendenkuikenproject in 2018.

Bekijk hier het rapport met de resultaten van het eendenkuikenproject in 2017.

 

Samenvatting resultaten 2016

De resultaten van het proefjaar 2016 zijn grotendeels geanalyseerd. Wat heeft dat eerste jaar opgeleverd? In totaal kwamen bijna 2000 waarnemingen van eendenkuikens binnen van maar liefst 456 verschillende waarnemers, verspreid over heel Nederland. Een gemiddeld eendengezin startte met tussen de 7 en 8 eendenkuikens (met één uitschieter tot 21 kuikens!). In de eerste weken trad de meeste sterfte op. Eenden met jongen van meer dan 3 weken hadden gemiddeld nog 5 jongen, maar het aantal waarnemingen was veel lager, wat suggereert dat heel veel eenden hun hele nestje al kwijt waren. Als we er vanuit gaan dat de meldkans van eendengezinnen gelijk blijft, blijkt uit de waarnemingen van 2016 dat slechts 6% van de eendenkuikens de kuikenfase overleeft.

Later in het seizoen minder kuikens - Berekeningen uit het broedseizoen van 2016 laten zien dat het gemiddelde aantal kuikens per gezin afneemt naarmate het seizoen vordert. In de leeftijdsklasse van 0-1 week oud zijn er per gezin in april bijna twee keer zoveel kuikens als in augustus. Dat kan twee oorzaken hebben: of de vrouwtjeseenden die laat broeden zijn minder succesvol, of de sterfte van eendenkuikens is groter later in het seizoen (of allebei).

Eendenkuikens hebben het moeilijk bij koud weer - In 2016 bleek ook dat het weer invloed heeft op de kuikenoverleving. Eendenkuikens kunnen zichzelf nog niet goed warm houden en mogelijk zorgt regen en kou voor verhoogde sterfte. Uit de analyse bleek inderdaad dat er een verband is tussen de temperatuur en het aantal eendenkuikens per gezin. Een gemiddeld temperatuurverschil van 7C over vijf dagen zorgde voor één kuiken meer of minder per gezin. Mogelijk heeft regen (en hagel) een groter effect op de overleving, maar dat moet nog worden onderzocht. Als we door klimaatverandering vaker hagelbuien of koudeinvallen hebben in het voorjaar, kan dit negatief uitpakken voor de Wilde Eend.

In de stad één kuiken minder dan daarbuiten - De gevaren die wilde eenden tegenkomen, hangen voor een deel af van de omgeving waarin ze leven. In de stad hebben ze bijvoorbeeld te maken met verkeer en beschoeide waterkanten, terwijl ze op het platteland te maken krijgen met het maaien van weilanden en misschien andere roofdieren. De waarnemingen uit 2016 laten inderdaad zien dat het aantal eendenkuikens per gezin verschilt tussen de stad en het platteland. Gemiddeld heeft een eendengezin in de stad één kuiken minder. Wat opvalt, is dat dat verschil voor elke leeftijdsklasse hetzelfde is. Het lijkt er dus niet op dat de kuikensterfte hoger is in de stad, maar dat de nesten mogelijk kleiner zijn. Hopelijk werpt het broedseizoen van 2017 meer licht op dit verschil!

 

Eendenkuikens op Facebook

Praat mee over eendenkuikens in onze Facebookgroep!

 

Help de Wilde Eend!

U kunt ook zelf de Wilde Eend een handje helpen. Vooral in stedelijk gebied is het vinden van broedgelegenheid soms een probleem voor Wilde Eenden. Als u een tuin heeft langs het water, kunt u een hoekje of strookje langs het water laten 'verruigen' in het voorjaar, zodat eenden een rustige schuilplaats hebben om te broeden. U kunt ook een eendenkorf plaatsen waar eenden veilig in kunnen broeden. Er zijn verschillende typen beschikbaar, zoals deze zogenaamde hooirol.

 Voorbereiding voor het broedseizoen: maak je eigen hooirol.

 

 

Eerste melding van eendekuikens in dit project: 9 kuikens van ongeveer 4 dagen oud bij Wateringen (foto: Mark Kleyheeg).

 

 

Bekijk hier de presentatie van de resultaten van het Jaar van de Wilde Eend, met de resultaten van het eendenkuikenproject, op de Landelijke Dag van Sovon.

 

Tel ook eendenkuikens in het Jaar van de Wilde Eend!

 

 

Links naar meer informatie

Kleyheeg 2020. Succesvolle eerste helft van het Jaar van de Wilde Eend. Sovon-Nieuws 33(2): 4-5. (link)

Kleyheeg 2019. 2020: het Jaar van de Wilde Eend. Sovon-nieuws 32(4): 18-19. (link)

Schekkerman et al. 2016. Demografische achtergronden van populatietrends van Wilde Eenden Krakeend in Nederland. Limosa 89: 130-137. (link)

Van den Bremer et al. 2015. Populatieontwikkeling Wilde Eend , Krakeend, Kuifeend en Tafeleend in Nederland: wat weten we over de achtergronden? SOVON-rapport 2015/65, CAPS-rapport 2015/01. (link)